| 13-6-1997 - Volkskrant - Hanneke de Klerck |
terug | |
Ik en mijn monster - Mathijs Beentjes, illustraties Sieb Posthuma |
||
| Kind uit elkaar trekken | ||
| Rare spelletjes worden er gespeeld in de twee
nieuwste boeken van Mathijs Beentjes: kinderwerpen, met een kleuter boksen,
kind uit elkaar trekken, voetballen met huilende jongetjes door teams die
zich Kinderkrakers en Kleuterklappers noemen. De bruten die zich op kleine kinderen werpen zijn Grote Jongens en gemene boeven, en de enige manier waarop een jongetje zich tegen hen kan verweren, is zijn fantasie. In de roman Ferry de boevendoderwordt een dromerige, kwetsbare jongen van negen zo een zelfverzekerde mensenredder en in Ik en mijn monster, een prentenboek voor jongere kinderen, verandert de schlemielige vader van een gemaltraiteerd jongetje in een wrekend monster. Beentjes heeft eenzelfde thema - kinderangsten, kinderfantasieën - mooi uitgewerkt voor lezers van verschillende leeftijden. Ik en mijn monster is van de twee het meest geslaagd, ook door de fraaie, licht absurde illustraties van Sieb Posthuma. De eerste twee pagina's zetten meteen de toon.. 'Op een dag pakte Guido me bij mijn oren en smeet me zo de sloot in.' Op het plaatje verdwijnt een droef kijkend jongetje met een ijsmuts omgekeerd in de sloot, waar een vis hem dommig in de ogen blikt, terwijl vlak daaronder een moedervis op reis vertrekt met vier kindervisjes en ieder een koffertje. 'Toen ik het mijn vader vertelde, ging hij vlug afwassen', staat er op de tweede bladzijde onder de grote prent van een doornat jongetje en een duidelijk gegeneerde vader. Hoe vaak zullen kinderen niet een soortgelijke reactie meemaken? Ouders zijn ook maar mensen tenslotte, die niet altijd weten hoe ze een probleem moeten oplossen. Maar een kind stelt dat teleur. Kinderen willen dat vader de hele wereld aankan. Keer op keer laat de vader het afweten, tot alle excuses zijn uitgeput, en pas dan zwelt hij op tot een monster met hoorntjes, een duivelse staart en een olifantenslurf, dat zijn zoontje helpt zich te wreken. 'Op de zesde dag speelden mijn monster en ik met Guido en zijn tien broers. We gingen slootdempen, boksen, kindwerpen en touwtrekken. En daar waren we erg goed in.' Pas als de wraak genoten is, pas als van Guido en ijzn broers geen gevaar meer te duchten valt, verandert het monster weer in een vader. Op het laatste plaatje, waar de tekst ontbreekt, zitten vader en zoon samen te vissen. Posthuma maakt het verhaal zo af: de vader die eerder alleen oog had voor het huishouden, heeft nu de aandacht en rust om iets met zijn zoon te ondernemen. Moeders komen in het boek niet voor - de vreselijke Guido heeft tien broers (kindwerpen is duidelijk geen sport die je in je eentje doet) en twee vaders van elk twee meter, maar geen moeder. En het kind heeft alleen de vader, die op de plaatjes als een ouderwetse moeder een schort en een hoofddoekje draagt... | ||